Welke autolichten gebruik je wanneer?

De grootlichten en dimlichten, standlichten, mistlichten, waarschuwingslichten en sinds 6 februari 2011 de twee witte dagrijlichten, die verplicht zijn op nieuwe voertuigen ... Weet jij welke lichten je in welke situatie moet gebruiken?

Dagrijverlichting

Dagrijverlichting is sinds 2011 verplicht op nieuwe auto's. Deze lichten gaan automatisch aan bij een lopende motor. Wanneer je de verlichting aanzet, gaat het dagrijlicht automatisch uit. Wettelijk gezien mag dagrijverlichting alleen wit licht uitstralen.

Dimlichten

Dimlichten, soms ook kruislichten genoemd, verlichten de weg voor het voertuig zonder de andere weggebruikers te verblinden of te hinderen, wat wel het geval is bij grootlichten. De reikwijdte van dimlichten bedraagt ongeveer 30 meter. De rode achterlichten gaan gelijktijdig aan zodra de dimlichten worden ontstoken. Dimlicht is de verlichting die je standaard moet gebruiken wanneer het donker is. Als het zicht belemmerd wordt door mist, hagel, regen of sneeuw, wordt dit ook overdag van je verwacht.

Stadslicht

Stadslicht is bedoeld om een geparkeerd voertuig zichtbaar te maken. Hierbij branden de achterlichten, de kentekenplaatverlichting en twee kleine lampjes aan de voorkant. Die lampjes aan de voorzijde maken het voertuig wel zichtbaar, maar verlichten niet het weggedeelte voor de auto. Stadslicht is verplicht als je 's nachts (of bij slecht zicht overdag) buiten de bebouwde kom of op de rijbaan parkeert.

Grootlicht

Het grootlicht zorgt voor maximale verlichting van de weg voor de auto (tot 100 meter). Anders dan bij dimlicht is de lichtbundel verblindend voor medeweggebruikers. Daarom mag je grootlicht alleen 's nachts voeren, wanneer er geen ander verkeer in de buurt is.

Mistlicht

Een mistlamp produceert zeer fel licht, bedoeld om ook in een mistbank zichtbaar te zijn. Je mag deze lichten in andere situaties niet voeren, omdat ze dan vervelend zijn voor medeweggebruikers. Op het onterechte gebruik van mistlampen staat een boete. Mistlampen produceren aan de voorzijde van de wagen een brede niet verblindende lichtbundel die laag valt, om onder de mistbank door de weg te verlichten.

Waarschuwingslichten

De vier waarschuwingslichten (richtingaanwijzers) van een auto mogen enkel branden als je auto defect is of om andere bestuurders te waarschuwen voor een ongeval, een file, of een lading die op de weg ligt. Bestuurders van een schoolbus schakelen de waarschuwingslichten aan terwijl kinderen in- of uitstappen.

Automatisch inschakelende verlichting

Bij automatisch inschakelende verlichting wordt het dimlicht ingeschakeld via een lichtsensor. Daar hoeft u zelf dus niets voor te doen. Vaak is er sprake van een extra stand op de lichtschakelaar. In het voorbeeld hiernaast is handmatig het dimlicht ingeschakeld. De dagrijverlichting brandt ook wanneer de verlichting is uitgezet (stand '0'). In de stand 'Auto' is de de automatisch inschakelende verlichting actief. Bij invallende duisternis zal de verlichting van zelf aan gaan. Mist wordt niet altijd door lichtsensoren herkend. Het is daarom beter om bij regen en mist handmatig voor dimlicht te kiezen. Uit de praktijk blijkt dat in auto's met dagrijverlichting vaker wordt vergeten om in tunnels en bij slecht zicht overdag de verlichting in te schakelen. Voor de wet rijdt u dan dus zonder verlichting in omstandigheden waarin dat wél moet.

Je vraag blijft onbeantwoord? Contacteer ons via het contactformulier of telefonisch via 055 42 60 00.