Shine bright!
De eerste maand van het nieuwe jaar trappen we af in fluo-verlichte stijl. Met onze thema-actie "Verlichting" zetten we zowel de zwakke weggebruiker als de automobilist graag in de kijker.
Je kan niet genoeg opvallen als het om veilig verkeer draait.
Ben je op wandel, met de fiets of snor je rond op een step? Zorg er dan voor dat je gezien wordt door je medeweggebruikers.
Dat kan al heel simpel, door een fluo hesje aan te trekken, maar ook led-lichtjes en reflectoren kunnen helpen om je goed zichtbaar te maken in die langer durende duisternis waar we tijdens deze eerste maanden van het nieuwe jaar nog mee te kampen hebben.
Januari is ook een goede maand voor automobilisten en motor- en bromfietsgebruikers om hun voertuig extra te checken op goed werkende verlichting en andere technische eisen.
Hieronder focussen we op de verlichting bij autovoertuigen.
Weet jij welke lampen je wanneer dient te gebruiken? Check het hier even!
(Bron: veiligverkeer.be | Autoverlichting)
DAGRIJLICHTEN
- moeten op je wagen zitten en moeten vanzelf aangaan, tenzij je wagen van voor 2011 is
- moeten vanzelf doven als je de dimlichten of voormistlichten aanzet
DIMLICHTEN (STANDAARD LICHTEN)
moet je gebruiken:
- tussen het vallen van de avond en het aanbreken van de dag
- als de zichtbaarheid minder dan 200 m is
- in tunnels
GROOTLICHTEN
- dienen om de weg extra te verlichten als het donker is
- zijn verblindend voor andere weggebruikers
mag je gebruiken (ter vervanging van of samen met de dimlichten):
- tussen het vallen van de avond en aanbreken van de dag
- als de zichtbaarheid minder dan 200 m is
mag je niet gebruiken o.a.
- als er een weggebruiker uit de tegenrichting nadert (verblindend)
- als je op minder dan 50 m van een voorligger komt
- als de rijbaan voldoende verlicht is om onafgebroken 100 m ver te kunnen zien
MISTLICHTEN
Achtermistlichten
moet je gebruiken als je er hebt:
- bij mist of als het sneeuwt én je daardoor minder dan 100 m ver kunt zien
- als het fel regent
mag je niet gebruiken:
- in alle andere omstandigheden (verblindend voor andere weggebruikers)
Voormistlichten
- moet je niet verplicht gebruiken
- mag je alleen gebruiken bij mist, als het sneeuwt of wanneer het fel regent
STANDLICHTEN (BIJ STILSTAAN EN PARKEREN)
- moeten alleen als je je voertuig op de openbare weg parkeert en het niet duidelijk zichtbaar is vanop 100 m (’s nachts of overdag)
- vooraan één of twee witte of gele standlichten
- achteraan één of twee rode lichten (de standaard achterlichten)
PARKEERLICHTEN (BIJ STILSTAAN EN PARKEREN)
Je mag binnen de bebouwde kom:
- de standlichten en de rode achterlichten vervangen door een parkeerlicht, als je voertuig evenwijdig met de aslijn van de rijbaan staat zonder aanhangwagen.
- Je mag alleen het parkeerlicht aan de kant van de aslijn van de rijbaan aanzetten (door je standlichten tegelijk met één van de twee richtingaanwijzers in te schakelen).
RICHTINGAANWIJZERS
- Richtingaanwijzers dienen om andere weggebruikers tijdig duidelijk te maken dat je van richting gaat veranderen of een manoeuvre gaat uitvoeren. Je zet ze aan vóór je de richtingverandering begint en niet als je al bezig bent.
- Gebruik van je richtingaanwijzers geeft je geen voorrang op andere weggebruikers (behalve als je een bus bestuurt en je wil wegrijden van een halte binnen de bebouwde kom).
- Als je een rotonde verlaat, moet je je richtingaanwijzers gebruiken, als je een rotonde oprijdt niet.
VIER RICHTINGAANWIJZERS
mag je alleen gebruiken:
- om andere weggebruikers te wijzen op een dreigend gevaar voor een ongeval
- om een file aan te kondigen
- als je in panne staat en je je voertuig niet op een parkeerplaats kunt zetten