Hugo Dehaes is de senior van de maand juni
Maak kennis met Hugo Dehaes, hij vertelt: Van koers tot café, van Leuvens dialect tot hart en ziel van de stad. “Mijn moeder zei ooit: ‘Ik heb van alles gedroomd voor mijn kinderen, behalve dat er één coureur zou worden.” Toch werd Hugo Dehaes net dat. En zoveel meer. Wielrenner, cafébaas, toneelspeler, mantelzorger. En altijd: een geëngageerde Leuvenaar in hart en nieren.
Wortels in Egenhoven
“Als ik terugdenk aan mijn jeugd in Egenhoven, zie ik ons met tien kinderen in huis, zeven jongens en drie meisjes. De velden, de kerk, de scouts van Sint-Jacob… Leuven was ons speelterrein.”
Hugo Dehaes (bijna 77) is een geboren en getogen Leuvenaar. Hij groeide op in Egenhoven, in een warm maar druk gezin. Zijn ouders runden een café in het dorp.
Hij liep school in het Sint-Pieterscollege en later in wat nu Groep T heet. Na zijn middelbaar volgde hij vier jaar opleiding aan de Academie voor Schone Kunsten. “Ik volgde sierkunsten, een richting die vandaag niet meer bestaat. Het was heel praktisch: tekenen, ontwerpen, schilderen. We kregen les van grote namen als Jan Cobbaert, Marcel Cox en Theo Humblet.”
Koers als roeping
Hugo ontdekte zijn talent voor fietsen al op jonge leeftijd. Tijdens scoutstochtjes merkte hij dat hij altijd voorop reed, hij had geen concurrentie. Een fietsenmaker in Egenhoven bezorgde hem een oude koersfiets, en het avontuur begon. “Ik startte bij de nieuwelingen, ging dan naar de junioren, en later de amateurs. Zes jaar later was ik prof.”
Hij reed vier jaar als beroepsrenner, in onder meer Italiaanse, Belgische en Zwitserse ploegen. “Ik heb gekoerst met Eddy Merckx, Roger De Vlaeminck, en Jempi Monseré – die laatste is overleden tijdens een koers waar ik bij was.” Zijn carrière kende mooie momenten, maar eindigde te vroeg door een zware val en een blijvende rughernia. “Vandaag zouden ze dat opereren, toen betekende het einde verhaal.”
Een fietsenzaak met karakter
Na zijn koerscarrière zette Hugo zijn passie voort in de fietsenwinkel van zijn familie. Twee van zijn oudere broers hadden een fietsenzaak op het De Becker Remyplein in Kessel-Lo, vlakbij het station. Toen zij ermee wilden stoppen, zagen ze in Hugo een geschikte opvolger.
“Ik kende natuurlijk het vak van binnenuit, en ik wist hoe belangrijk service was voor wielertoeristen, stadsfietsers en gezinnen.” Hugo nam de zaak over en bouwde die verder uit. Hij verkocht niet alleen fietsen, maar zorgde ook voor onderhoud, herstellingen en advies.
“Het was een tijd waarin de fietsenwinkel nog echt een buurtwinkel was. Mensen kwamen langs voor een babbel, een nieuw slot, een band te laten plakken. We kenden onze klanten.”
Hij baatte de winkel ruim tien jaar uit, tot de markt begon te veranderen. “Het was de periode waarin de grootschalige ketens opkwamen, en de fietsverkoop begon te verschuiven. Zelfstandige zaken kregen het moeilijker.” Rond die tijd kreeg hij een voorstel van een grotere fietsenfirma om hen te helpen met de opstart van een nieuwe vestiging. “Ze boden goede voorwaarden, en ik ben mee op de kar gesprongen.”
Café Tempo, een bruin café met een ziel
Later baatte hij op het De Becker Remyplein met zijn vennoot Ludo Follon, café Tempo uit, een zaak die ze nieuw leven inbliezen. “Dat café had jaren leeggestaan. We maakten er een bruisende ontmoetingsplek van. Geen hippe bar, maar een écht café, waar mensen nog tijd maakten voor een goed gesprek.” Na acht jaar lieten Hugo en zijn vennoot de zaak over aan Michele Tatoli, die naast de horeca ook actief was in het parochiale verenigingsleven.
Café Tempo bestaat nog steeds, een volkscafé met de sfeer van vroeger, thuisbasis voor meerdere verenigingen. Ook de toneelvereniging De Margriet had er hun lokaal. Hugo betreurt het verdwijnen van dit soort bruine cafés: “Het waren plekken van verbondenheid. Vandaag is alles strak, wit, en stil. Toen had elk café zijn stamgasten, zijn verhaal, zijn ziel.”
Na het café volgde voor Hugo nog werk in de brouwerijwereld en later ook in vastgoed, bij José Ruelens. “Ik heb altijd gewerkt, dat zit in mij.”
Hugo’s missie: het Leuvens dialect bewaren als levend erfgoed en ziel van de stad
Hugo is actief lid en secretaris van de Academie van het Leuvens Dialect, en medeorganisator van de populaire dialectavonden rond de Leuvense Stoof. “We brengen mensen samen die nog Leuvens spreken, bekende namen zoals Louis Tobback, Michel Wuyts, Fred Brouwers, Hugo Simons, Els Dottermans, Sien Eggers, Gilbert Pues en misschien binnenkort ook Rudi Vranckx.” Voor Hugo gaat het om meer dan gezelligheid: “Taal is erfgoed. We hebben ooit gevochten voor Leuven Vlaams. Nu verdwijnt het Nederlands hier stilletjes onder druk van Engels en import,” zegt Hugo. De herinnering aan de taalkwestie uit de jaren ’60 — toen Leuven het toneel was van een historische strijd voor een Nederlandstalige universiteit — blijft voor hem levendig. Maar vandaag ziet hij een andere vorm van vervreemding opduiken: het sluipend verlies van de moedertaal in het dagelijks leven van de stad. Waar vroeger het Nederlands bevochten moest worden tegenover het Frans, komt nu vooral het Engels op de voorgrond — in winkelstraten, op affiches, in gesprekken tussen studenten en handelaars. Tijdens een wielerwedstrijd in Québec viel het hem op hoe sterk het Frans daar beschermd wordt. “Ze hebben er zelfs een ‘taalpolitie’,” vertelt hij, “die erop toeziet dat het Frans prominent aanwezig blijft in het straatbeeld.” Hugo stelt zich geen strijd voor met protestborden en taalpolitie, maar wel een bewuste keuze om het eigen taalgebruik levendig te houden, bijvoorbeeld door het Leuvens dialect te blijven spreken en die liefde voor taal ook door te geven aan de volgende generaties.
Hugo herinnert zich hoe dialect vroeger op school werd afgeremd. “Thuis spraken we Leuvens, maar op school was dat niet toegelaten.” Toch is zijn waardering voor dialect met de jaren alleen maar gegroeid. “Veel mensen spreken vandaag een soort verkavelingsnederlands: het is geen goed Nederlands, maar ook geen dialect. Dan denk ik: spreek liever je moedertaal, en leer goed Nederlands op school.” Voor Hugo is die tweetaligheid – tussen thuis en school, tussen dialect en standaardtaal – geen tegenstelling, maar een rijkdom. Hij bewondert mensen zoals Fred Brouwers, die “perfect academisch Nederlands spreken én Leuvens kunnen laten horen als het moment daar is.” Zo'n vaardigheid beschouwt hij als een vorm van taaltrouw en cultuurbehoud.
Verbondenheid met Rosanne
Rosanne, Hugo’s vrouw, was jarenlang verpleegkundige in Leuven en later in Brussel. Ze werkte onder meer met Professor Stalpaert, pionier in hartchirurgie. Ze werkte mee aan hartoperaties waarbij patiënten onderkoeld werden tot 25 graden, om levensreddend werk te doen. Rosanne herinnert zich hoe het vroeger de gewoonte was om na de dienst met het hele team nog iets te gaan drinken. “Dat gaf een gevoel van verbondenheid. We stonden er nooit alleen voor.” Zoiets gebeurt vandaag waarschijnlijk niet meer, denkt ze.
Ook Rosanne speelde toneel– een gedeelde liefde die hen verbindt. Ze hebben samen veel gedeeld, maar één gemis blijft: kinderen kwamen er niet.
Vier jaar geleden kreeg Rosanne de diagnose van Parkinson. “Ze beeft niet, maar haar evenwicht is verminderd, het spreken gaat trager. Toch doet ze nog veel in het huishouden, vult kruiswoordraadsels in, en houdt zich kranig.”. Hugo begeleidt haar bij alles. “Ik ga achter haar de trap op, en voor haar naar beneden. We doen alles samen.” Poetshulp vinden blijkt moeilijk: “We staan al elf maanden op een wachtlijst.”
Toch blijven ze actief. Heel regelmatige bezoekjes aan haar zus in Zutendaal, en diverse sociale activiteiten houden hen op de been. “Je mag je niet opsluiten. Buiten komen is de beste therapie.”
Hugo, Leuvenaar in hart en ziel
Hoewel hij inmiddels buiten de stad woont, in Lubbeek, voelt Hugo zich nog altijd diep verbonden met Leuven. Hij is actief in de Academie van het Leuvens Dialect, speelt toneel, volgt het nieuws op de voet en houdt de vinger aan de pols van het stadsleven. Toch ziet hij hoe de stad verandert. “Op bepaalde plekken is Leuven haast onherkenbaar geworden,” merkt hij op. “En de woningprijzen jagen geboren Leuvenaars weg. Het lijkt alsof we onze eigenheid verliezen. Volgens Hugo is Leuven vandaag alleen nog betaalbaar voor een beperkte groep mensen. “Wie kan hier nog wonen? Mensen met hoge diploma’s, grootverdieners, of commerçanten met veel kapitaal,” stelt hij nuchter vast. Voor hem is dat een van de redenen waarom veel geboren Leuvenaars de stad verlaten – en daarmee ook een stuk van de oude stadscultuur verloren dreigt te gaan. Toch blijft hij geloven in verbinding via taal, cultuur en ontmoeting. Voor Hugo is het delen van verhalen – in dialect of standaardtaal – een manier om de ziel van de stad levend te houden. Toneel en de Academie van het Leuvens Dialect spelen daarin een belangrijke rol, net als de geboren Leuvenaars, die hun taal en stadsziel actief blijven doorgeven.
Hugo’s warme raad: “Blijf onder de mensen komen en spreek Leuvens met je kleinkinderen”
Zijn boodschap aan de Leuvense seniorengemeenschap is eenvoudig en krachtig: “Blijf in beweging en koester sociale contacten, blijf tussen de mensen, dat houdt je levendig. Durf ook vragen om hulp, en geef ook iets terug – een luisterend oor, een helpende hand, of gewoon wat tijd voor elkaar.”
Zelf weet hij hoe belangrijk het is om omringd te zijn, en om een ander tot steun te zijn.
“En ja,” voegt hij toe met een glimlach, “spreek gerust dialect met je kleinkinderen. Want als we ons eigen verhaal niet vertellen, wie doet het dan? Correct Nederlands leren ze op school.”