Senior van de maand oktober

Adri Van Rillaer – officieel André-Gustave – is een geboren Leuvenaar en onze senior van de maand oktober. Enkele maanden geleden werd Adri 77 jaar. Als gewezen journalist, copywriter en hoofdredacteur van verschillende vakbladen laten we hem graag aan het woord. Adri wil ons tonen hoe hij en zijn generatiegenoten keer op keer vanaf de eerste rij toekeken hoe wij in zeventig jaar tijd van dorpelingen veranderden in ware wereldburgers ...

Adri Van Rillaer

In de eerste kille dagen van september 1920 werd op de Wakkerzeelsebaan in Wijgmaal mijn grootmoeder, Louise Van Eycken, aangereden door een auto. Ze overleed ter plaatse. Een honderd jaar oud fait-divers. Maar ik ben ervan overtuigd dat een jonge moeder van 22 die omkomt in een auto-ongeval op dat moment in Wijgmaal groter nieuws was dan alle Spaanse griep-epidemiëen van dat jaar bij elkaar. Nieuws was wat er in je dorp gebeurde, in het beste geval in een dorp verder.

Tijdens mijn eerste levensjaren, in de vroege jaren veertig, was dit nog steeds zo. Je dorp was het middelpunt van je wereld. Maar begin jaren vijftig kwam eindelijk de allereerste verandering op gang. Dit had alles te maken met de komst van de BRT, de Vlaamse televisie!

Het is heerlijk als je negen of tien jaar oud bent en de televisie voor het eerst in de huiskamer komt: iedere avond om halfacht zien wat er in je eigen land is gebeurd, hoe spannend is dat! Keerzijde was echter dat de gelukkige die een tv-toestel kon betalen, tegelijk lijdzaam moest toestaan dat één dag per week zijn huiskamer volstroomde met buren, verre kennissen en compleet onbekenden die samen naar Schipper naast Mathilde kwamen kijken ... Wij hoorden toen bij de groep van verre kennissen ...

Toch ging onze blik op de wereld via het tv-nieuws al iets verder dan met het bioscoopjournaal, waarmee onze ouders het tot dan toe hadden moeten stellen op zaterdagavond in de cinema. Met open monden staarden ze naar wat ze in Amerika een supermarkt noemden, een reuzengrote ruimte waar je een soort van ijzeren karretje zelf moest voortduwen om dan zelf je boodschappen uit te zoeken langs die eindeloze rijen rekken. Hen leek dat geen echte vooruitgang.

Maar hoe was het in die jaren gesteld met onze eerste ervaringen met het echte ‘buitenland’? Die waren bijzonder summier: we zagen onze moeders bezorgd bloem en suiker hamsteren tijdens de Suezcrisis. En nog maar eens toen de Russen Hongarije binnenvielen. Er ontstond ook een kiem van toerisme over de grens: dat buitenland van de eerste vermetele Vlaamse toeristen heette Monschau of Echternach ...

Toen kwam het gezegende jaar 1958 en opende op de Heizel de Wereldtentoonstelling. Voor een jongen van vijftien ging de wereld nu pas echt en voorgoed open: zes maanden lang elke dinsdagnamiddag naar de Heizel. In het Sovjetpaviljoen staren naar een kopie van de Spoetnik, die een jaar tevoren rond de aarde biepte, en ertegenover, in het Amerikaans paviljoen, de allereerste echte kleurentelevisie kijken! Een levensecht verkeersvliegtuig – de splinternieuwe Caravelle – stond neergepoot naast het Franse paviljoen. Tienduizenden Belgen liepen er voor het eerst door het gangpad van een écht vliegtuig. En nog een teken van vooruitgang: zowel op de Expo als op de Adolphe Maxlaan in Brussel ging een Colmar open, het eerste restaurant met ... zelfbediening!

Wat daarna, in het begin van de jaren zestig, onze blik op wereld ook heeft geopend, was – misschien wat vreemd - het eurovisie songfestival. Dat kwam omdat de inrichters op het geniale idee waren gekomen dat elke deelnemer in zijn of haar landstaal moest zingen. En dat bracht ongewild een gans arsenaal aan culturen, gebruiken en talen onze huiskamer binnen.

Op mijn vijfentwintigste was ik als journalist bevoorrechte getuige van een nieuwe en grote omwenteling in onze maatschappij, op wereldschaal ditmaal. Mei ’68, de naam zindert vandaag nog na. We stonden op de eerste rij toen studenten van de Sorbonne het Théâtre de l’Odéon te Parijs bezetten, het begin van het einde van een vermolmd en voorbijgestreefd maatschappijmodel. Amper twee maanden later praatten we hier in Leuven met Pol Goossens, Ludo Martens en de andere leiders van onze eigen radicale revolte.

En dan, midden de jaren zeventig, kwam schijnbaar uit het niets een uitvinding aanwaaien die de hele wereld op zijn kop zou zetten. Ze noemden het ‘computer’, maar niemand kon je precies uitleggen wat je ermee kon aanvangen. Het zou niet lang duren voor we te weten kwamen dat je er in feite alles mee kon aanvangen.

We komen stilaan bij het millennium toe (de bug, weet je nog?) wanneer in het CERN in Zwitserland een paar wetenschappers op het idee komen een soort universeel woordenboek te maken, maar dan wel met de computer ditmaal. En als ze al die computers nu eens met elkaar verbonden? Er een soort wereldwijd netwerk van maakten? Ze noemden het Internet en de rest is geschiedenis. Doe daar nog een smartphone bovenop en we zitten volop in de wereld van vandaag. Een wereld waarin we nog nauwelijks weten wat er op de hoek van onze straat is gebeurd maar we na tien minuten wel volledig op de hoogte zijn van de jongste tweet van Donald Trump.

Tot slot: is het niet ironisch dat mijn generatie ook vandaag weer vooraan staat in het nieuws? Ja hoor, wij zijn de risicogroep!

Labels