De deontologische code van de politiediensten

De deontologische code van de politiediensten is er gekomen op verzoek van de wetgever. Hierin werd namelijk voorzien door de wet van 26 april 2002 houdende de essentiële elementen van het statuut van de personeelsleden van de politiediensten ('Exoduswet').

De politiedeontologie is echter niet helemaal nieuw; ze is even oud als de politie zelf. Met de oprichting van een deontologische code wilde de wetgever vooral komen tot een eenvormige mentaliteit, ingesteldheid, houding van het personeel, ongeacht het politiekader of niveau waartoe iemand behoort.

Er zijn maar heel weinig teksten in verband met de politie die geleid hebben tot zoveel discussies, adviezen, overlegrondes en onderhandelingen. De deontologische code van de politiediensten is werkelijk het resultaat van een echte samenwerking. Vele instanties van binnen en buiten de politie hebben aan deze denkoefening meegewerkt, voornamelijk de Vaste Commissie voor de Lokale Politie, de algemene directies van de Federale Politie, het Comité P, de Algemene Inspectie van de politiediensten, de Tuchtraad, het Centrum voor Gelijkheid van Kansen en Racismebestrijding, de Algemene Directie Veiligheids- en Preventiebeleid van de Federale Overheidsdienst Binnenlandse Zaken en de vakbonden. De Adviesraad van Burgemeesters en de Raad van State gaven ook hun advies.De deontologische code van de politiediensten is dus de vrucht van een lang denk-, discussie- en rijpingsproces.

De code is een koninklijk besluit de dato 10 mei 2006 en werd op 30 mei 2006 van kracht.

De deontologische code is samengesteld uit 4 hoofdstukken en 81 punten waarin de rechten en plichten van alle personeelsleden van de Geïntegreerde Politie worden besproken. Hierin worden dezelfde waarden naar voren geschoven als de achterliggende waarden van de referentiecultuur, zoals de mensenrechten, de grondwettelijke rechten en vrijheden, het welzijn op het werk, de motivatie van het personeel voor de taak, de uitoefening van het leiderschap, de diversiteit en gelijkheid van kansen of de algemene principes van het personeelsstatuut zoals onpartijdigheid, beschikbaarheid en integriteit.

De code is dus een echt praktisch werkinstrument, een referentiekader, een gids bij de keuzes die de personeelsleden van de Geïntegreerde Politie moeten maken.

Ieder personeelslid ontvangt een individueel exemplaar van de deontologische code.

De deontologische code is een praktisch werkmiddel, maar hij moet ook veranderingen kunnen ondergaan. Bepaalde onderwerpen die erin besproken worden, kunnen door maatschappelijke (technische, ethische, wettelijke, enz.) veranderingen namelijk wijzigen. Hij moet dus aangepast en aangevuld worden, ook door het opstellen van een bijlage waarin praktische illustraties, dingen uit de rechtspraak of rechtsleer … vermeld staan.

Er werd ook een deontologische commissie samengesteld. Deze commissie bestaat uit vertegenwoordigers van de Federale Politie, twee vertegenwoordigers van de Lokale Politie en één vertegenwoordiger van elke representatieve personeelsorganisatie. Ze moet de minister van Binnenlandse Zaken een advies afleveren over de toepassing, evaluatie en wijziging van de deontologische code. Indien nodig kan de deontologische commissie aanpassingen voorstellen die ze nuttig acht.